Bedrijfswagens en de gespreide taxatie van meerwaarden

De meerwaarde op een personenauto kan gespreid belast worden als de algemene voorwaarden vervuld zijn. De auto moet ten minste vijf jaar voor de beroepswerkzaamheid gebruikt zijn en de verkoopprijs moet binnen de drie of eventueel vijf jaar geherinvesteerd worden in een afschrijfbaar materieel of immaterieel vast actief.

 

Deze meerwaarde is slechts belastbaar in de mate dat de afschrijvingen fiscaal aftrekbaar geweest zijn. Zoals de belastbare meerwaarde, moet ook het te herbeleggen bedrag beperkt worden volgens de aftrekbeperking die op de afschrijvingen toegepast wordt.

 

Als herbelegging komen alle afschrijfbare immateriële en materiële vaste activa in aanmerking die in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid gebruikt worden. Personenauto’s worden in dit scenario dus niet uitgesloten, maar een belangrijke nuance hierbij is dat het bedrag van een auto dat als herbelegging in aanmerking komt, bepaald wordt door de fiscale aftrekbeperking. Bijgevolg wordt enkel de fiscaal afschrijfbare aanschafwaarde van de auto in aanmerking genomen als geldige herbelegging.

 

De beperking van de meerwaarde en van het te herbeleggen bedrag is in uw voordeel, maar de beperking van het als herbelegging in aanmerking komende bedrag is normaal gezien in uw nadeel, omdat u namelijk voor een groter bedrag dient te herbeleggen.

 

Vanaf 2020 wordt de aftrekbaarheid van personenwagens bepaald door de zogenaamde gramformule. Voor de meeste auto’s betekent dit dat het fiscaal aftrekbare percentage van de afschrijvingen vanaf volgend boekjaar anders is, meestal kleiner, dan voor boekjaar 2019. Het interessante is echter dat u daarmee geen rekening moet houden als u dit jaar een auto als herbelegging kiest. Het is immers de fiscaal afschrijfbare waarde in het boekjaar van herbelegging, dus 2019, die van belang is.